Teruggeleiding van Nederlandse kinderen naar Amerika op basis van een Amerikaans vonnis

Annotatie bij Gerechtshof Amsterdam, 1 september 2015, JIN 2015, 197,

ECLI:NL:GHAMS:2015:BW3596

NOOT mr. G.H.J. Spee

Deze zaak heeft in de Nederlandse kranten de nodige publiciteit gekregen. De teneur was vooral verontwaardiging over het feit dat de Amerikaanse rechter een beslissing had genomen die tegenstrijdig leek aan de eerdere beslissing van de Nederlandse rechter. De Haagse rechter had het teruggeleidingsverzoek van de vader immers afgewezen.
Voor de moeder moet de schok groot zijn geweest toen de Amerikaanse rechter na de gewonnen teruggeleidingsprocedure alsnog oordeelde dat de kinderen weer naar de VS terug moesten verhuizen. De uitspraak van de Haagse rechtbank (Rechtbank Den Haag, ECLI:NL:RBDHA:2013:8057) hield echter niet meer in dan dat de moeder de kinderen niet ongeoorloofd mee had genomen naar Nederland. Er was nog geen beslissing genomen over de vraag bij wie de kinderen na de echtscheiding hun hoofdverblijf moesten hebben.

De Amerikaanse rechter heeft hierover een beslissing genomen in de nog lopende echtscheidingsprocedure. Partijen hadden die bevoegdheid overigens ook zelf aan de Amerikaanse rechter gegeven door in een handgeschreven verklaring vast te leggen dat Court of Common Pleas in de staat van hun woonplaats bevoegd was met betrekking tot alle zaken aangaande het ouderlijk gezag.

De Amerikaanse rechter oordeelde dat beide ouders geschikt waren om de kinderen op te voeden. Bij zijn beslissing om het hoofdverblijf van de kinderen bij hun vader te bepalen, heeft de rechter een duidelijke voorkeur uitgesproken voor Amerika boven Nederland. Dat is bijzonder te noemen omdat we een (omgekeerde) beslissing waarin de Nederlandse rechter aan het wonen in Nederland meer waarde toekent dan aan het wonen in Amerika, niet snel zullen tegenkomen. Als het gaat om landen waarin het voorzieningenniveau gelijkwaardig te noemen is, wordt er door de Nederlandse rechter doorgaans geen prioriteit gegeven aan het wonen in Nederland. In kinderontvoeringszaken is het zelfs vaste jurisprudentie dat op grond van het HKOV de terugkeer niet mag worden geweigerd op de enkele grond dat het kind in Nederland beter af zou zijn.
Er lijkt door de Amerikaanse rechter overigens geen rol van betekenis te zijn toegekend aan het feit dat de kinderen al 2 jaar in Nederland verbleven, hier naar school gingen en ook hun hobby’s beoefenden. Ook dat zien we in Nederlandse zaken meestal wel anders. De jurisprudentie laat tal van zaken zien waarin de worteling juist wel bij de beoordeling wordt betrokken.

De Nederlandse rechter moest hier nog beslissen of de uitspraak van de buitenlandse rechter in Nederland moest worden erkend. Als dat het geval is, dan komt de Nederlandse rechter zelf niet meer toe aan een inhoudelijke behandeling van de zaak.
In grensoverschrijdende zaken die spelen tussen twee EU-lidstaten wordt de discussie over de erkenning bepaald door de IPR-regels die zijn neergelegd in Brussel II-bis. Uitgangspunt van deze verordening is het wederzijdse vertrouwen tussen de lidstaten. Een uitwerking daarvan is te vinden in artikel 21 waarin is bepaald dat de in een lidstaat gegeven beslissing in andere landen wordt erkend zonder dat daartoe enigerlei procedure is vereist. Er is alleen een procedure nodig om een exequatur te verkrijgen.
In deze zaak lag het wat ingewikkelder omdat Brussel II bis niet van toepassing was en er ook geen ander verdrag bestaat tussen de Verenigde Staten en Nederland waarin de IPR-regels met betrekking tot ouderlijke verantwoordelijkheid zijn terug te vinden. Er moest daarom worden geprocedeerd over de erkenning. Het hof baseerde zich daarbij op het commune IPR en op ons eigen Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

In artikel 431, lid 2, Rv is bepaald dat gedingen die geleid hebben tot beslissingen gegeven door een buitenlandse rechter opnieuw bij de Nederlandse rechter kunnen worden behandeld en afgedaan. De Nederlandse rechter moet zich daarbij eerst uitlaten over de vraag of de buitenlandse uitspraak voor erkenning vatbaar is. De Hoge Raad heeft eerder de criteria omschreven waaraan dan moet zijn voldaan. De criteria zijn ontleend aan enkele fundamentele procesregels:
a. de bevoegdheid van de buitenlandse rechter moet berusten op een bevoegdheidsgrond die naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbaar is;
b. de buitenlandse beslissing is tot stand gekomen en een gerechtelijke procedure die voldoet aan de eisen van behoorlijke en met voldoende waarborgen omklede rechtspleging;
c. de erkenning van de buitenlandse beslissing is niet in strijd met de Nederlandse openbare orde;
d. de buitenlandse beslissing is niet onverenigbaar met een tussen dezelfde partijen gegeven beslissing van de Nederlandse rechter, dan wel met een eerdere beslissing van een buitenlandse rechter die tussen dezelfde partijen is gegeven in een geschil dat hetzelfde onderwerp betreft en op dezelfde oorzaak berust, mits die eerdere beslissing voor erkenning vatbaar is in Nederland.

De moeder beriep zich erop dat niet werd voldaan aan de voorwaarden a en c. Volgens de moeder was de Court of Common Pleas niet bevoegd en zou erkenning in strijd zijn met de Nederlandse openbare orde.
Het hof oordeelt dat de Court of Common Pleas wel degelijk bevoegd was om te beslissen over de hoofdverblijfplaats van de kinderen. Het hof overweegt in dit verband dat de moeder zelf had meegewerkt aan de totstandkoming van een verklaring waarin partijen de Court of Common Pleas hadden aangewezen als bevoegde rechter. Een dergelijke aanwijzing wordt, zo overwoog het hof, zowel in Brussel II-bis als in het Haags Kinderbeschermingsverdrag gezien als aanvaarde grondslag voor de competentie van een rechtbank.
Het hof oordeelde overigens de internationaal aanvaarde grondslag voor de bevoegdheid van de Court of Common Pleas ook zou kunnen worden gevonden in de verblijfplaats van de kinderen. Op het moment dat de procedure in de Verenigde Staten aanhangig werd gemaakt, hadden de kinderen hun verblijfplaats nog daar. Dat de kinderen niet gedurende het gehele proces hun verblijf in de Verenigde Staten hebben behouden, doet dan niet meer niet terzake omdat in zaken van ouderlijke verantwoordelijkheid het beginsel van perpetuatio fori een internationaal aanvaard beginsel is.

De vraag of de uitspraak in strijd is met de Nederlandse openbare orde toetst het hof vervolgens restrictief. De moeder beroept zich er in dit verband op dat een verhuizing van de kinderen naar de Verenigde Staten schadelijk zal zijn voor  hun sociaal-psychologische ontwikkeling. Het  hof is hier snel mee klaar. Het hof overweegt dat dit de openbare orde niet raakt en overigens ook dat de moeder haar stellingen op dit punt onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt.
Omdat aan de vier voorwaarden is voldaan, komt de Amerikaanse uitspraak voor erkenning in aanmerking. En dan heeft de Nederlandse rechter verder niets meer over (de inhoud van) de zaak te zeggen.
Na de beslissing van de Haagse rechter dat de moeder zich had gehouden aan de voorwaarden van het ouderschapsplan waaronder zij met de kinderen naar Nederland mocht verhuizen, moeten de kinderen dus alsnog terug naar de Verenigde Staten. Dat het juridisch zo kan lopen, is niet altijd gemakkelijk uit te leggen.

 

Neem direct contact op